The Netherlands and violence against children

In Nederland zijn vier omvangrijke onderzoeken gedaan naar geweld tegen kinderen in instellingen en pleeggezinnen. Maar juist de trajecten die moesten leiden tot erkenning en hulp, hebben slachtoffers opnieuw beschadigd.

‘Mijn moeder was minderjarig toen ze zwanger werd. Ze werd verbannen naar de nonnen om te bevallen, vertelt Paul de Ridder. Het was 1957. Nadat baby Paul was geboren, werd hij bij zijn moeder weggehaald. ‘Toen ik twee jaar en drie maanden was heeft de kinderbescherming mij in een pleeggezin geplaatst. Het was een zwaar katholieke familie die maar liefst dertien pleegkinderen had. Ik ben in dat gezin van mijn vijfde tot mijn twaalfde jaar door de pleegvader seksueel misbruikt,’ vertelt De Ridder in een telefonisch gesprek.

Het seksueel misbruik en het zwijgen hebben hem zwaar beschadigd. ‘Mijn pijn is ook dat de voogdes die mijn belangen moest behartigen vooral heeft weggekeken. Ze kwam elk jaar bij het pleeggezin langs. Er waren vele signalen dat het niet goed met mij ging. Maar zij had onvoldoende oog voor mij. Ze vroeg me niets, maar sprak vooral met de pleegouders. Het systeem faalde totaal,’ vertelt De Ridder, terwijl het verdriet over zijn eenzame lot naar boven komt. ‘Het is die afgedwongen stilte, het feit dat ons de mond is gesnoerd, die als een zwarte draad door het leven van vele slachtoffers loopt.’

Bedrijfsleider

Ondanks zijn zwaar traumatische kindertijd wist Paul de Ridder zich lang staande te houden. ‘Ik had een goede baan als bedrijfsleider bij een bouwmarkt in Den Haag,’ vertelt hij. Maar in 1999 ging het niet meer. De trauma’s van het seksueel misbruik waren te groot. Paul de Ridder was begin veertig, in de bloei van zijn leven, maar zat huilend thuis. De therapie die hij kreeg, stopte al na een paar keer. Het seksueel misbruik kwam niet aan de orde. ‘Ik werd overspannen verklaard. Uiteindelijk werd ik ontslagen.’ De Ridder had geen werk meer en kreeg een uitkering op minimumniveau. ‘Ik moest mijn auto wegdoen en mijn huis verkopen.’ Zijn leven stortte in.

Paul de Ridder is een van de vele kinderen die slachtoffer werden van het beleid van de overheid, organisaties en instellingen die kwetsbare kinderen moesten beschermen, maar hen zwaar beschadigden. Twaalf jaar geleden kwam in Nederland het onderzoek naar deze schokkende wantoestanden op gang.

Seksueel geweld jeugdzorg

Paul de Ridder vertelde zijn verhaal tegen de commissie die in 2010 onder leiding van voormalig procureur-generaal Rieke Samson-Geerlings was ingesteld. Deze had als taak om onderzoek te doen naar seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in (rijks)instellingen en pleeggezinnen waren geplaatst in de periode tussen 1945 en 2010. ‘Ik voelde me eindelijk gehoord,’ zegt De Ridder. De commissie Samson presenteerde op 8 oktober 2012 haar eindrapport, getiteld ‘Omringd door zorg, toch niet veilig. Seksueel misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinderen.’ De commissie stelde vast dat vóór 1975 de daders vooral groepsleiders en pleegvaders waren, daarna waren het vooral leeftijdsgenoten. Het bleek dat kinderen die geplaatst werden in een instelling voor jeugdzorg 2,5 keer zo vaak slachtoffer van seksueel misbruik waren geweest als kinderen die thuis wonen. ‘Ik was er bij toen het rapport werd gepresenteerd,’ vertelt De Ridder. ‘De excuses van de minister kwamen echter weken later, tijdens een besloten sessie met lotgenoten.’

Paul de Ridder zette de Stichting Kindermisbruik Instellingen Pleeggezinnen (SKIP) op, waar 450 lotgenoten zich bij aansloten om samen sterk te staan. ‘Veel slachtoffers redden zich wel. Ze hebben het geweld dat hen is aangedaan, achter zich gelaten. Maar dat geldt niet voor zo’n 30 procent van de lotgenoten, die het niet redden, zwaar de dupe zijn en in diepe armoede leven,’ stelt De Ridder.

Seksueel misbruik in de kerk

Het was niet het enige grote onderzoek in Nederland. In 2010 stelde ook de Rooms-Katholieke Kerk een commissie in onder leiding van voormalig minister Wim Deetman om onderzoek te doen naar seksueel misbruik van minderjarigen die vanaf 1945 waren toevertrouwd aan kerkelijke instellingen en parochies. Het onderzoek leidde tot een lijst met 800 namen van priesters, geestelijken en religieuzen die als daders werden aangemerkt. Het totale aantal slachtoffers van seksueel misbruik door geestelijken wordt in die periode geschat op 10.000 tot 20.000.

Geweld in de jeugdzorg

Van 2014 tot 2019 onderzocht een commissie onder leiding van Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek, het geweld in de jeugdzorg in de periode 1945-heden. De titel van het eindrapport ‘Onvoldoende beschermd’ geeft het kritische oordeel weer. In zijn voorwoord beschrijft de geschokte De Winter hoe hij ‘de gedetailleerde verhalen’ die hij van mensen zèlf hoorde, ‘aanvankelijk bijna niet bevatten’ kon. ‘Want welke volwassene zou het nu in vredesnaam in zijn of haar hoofd kunnen halen om een volstrekt weerloos kind van vier of vijf jaar oud – weggehaald bij de ouders – genadeloos te straffen en openbaar te vernederen omdat het in bed is gaan plassen?’ Ook met deze commissie sprak Paul de Ridder diverse malen. De commissie concludeerde dat ‘fysiek, psychisch en seksueel geweld’ in de gehele periode in de jeugdzorg voorkwam. Tien procent van de ondervraagde pupillen vertelde geweld ‘vaak tot zeer vaak’ te hebben meegemaakt. Tot 1970 ging het vooral om fysiek geweld door de groepsleiding en pleegouders, daarna werd onderling geweld door pupillen meer zichtbaar. Ook werd een verschuiving naar psychisch geweld geconstateerd. Veel pupillen hebben deze ervaringen ‘hun hele verdere leven’ met zich meegedragen,’ aldus de commissie.

De Goede Herder

In 2019 werd onderzoek gedaan naar de katholieke kloosterorde De Goede Herder, waar de overheid en de katholieke kinderbescherming tussen 1860 en 1978 zo’n 15.000 meisjes heen stuurde die thuis niet veilig waren. In plaats van een liefdevol en warm thuis, werden ze onderworpen aan een keihard regime. De meisjes moesten zwaar werk verrichten in wasserijen en naaiateliers, kregen zware huishoudelijke taken en maakten lange dagen. Het leefklimaat was genadeloos. De onderzoekscommissie concludeerde dat de meisjes er werden onderworpen aan dwangarbeid, en dat de overheid in gebreke is gebleven om toezicht uit te oefenen waardoor de afschuwelijke situatie voortduurde.

Waarheidsvinding

‘Nu kijken we met verbazing dat kinderen zo slecht werden behandeld. We vragen ons af hoe we de zorg met zoveel gevaar voor kinderen hebben kunnen inrichten. Maar we hadden er indertijd geen oog voor,’ stelt Christiaan Ruppert, die secretaris was van de commissies Samson en De Winter. Inmiddels is in Nederland met deze vier omvangrijke onderzoeken een proces van waarheidsvinding op gang gekomen. ‘Nederland is heel goed in het instellen van onderzoekscommissies,’ stelt Ruppert, die momenteel onderzoeker is bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en het boek ‘Regelingen voor collectieve schade – Geef slachtoffers erkenning’, schreef. Teams van deskundigen doen nauwgezet onderzoek, luisteren naar slachtoffers en proberen soms tientallen jaren later te achterhalen wat er met hen is gebeurd tijdens hun kindertijd. ‘Als het rapport wordt aangeboden, is iedereen geschokt. De ministers maken vrijwel in alle gevallen meteen excuses. Maar daarna, als de overheid en organisaties aan zet zijn, gaat het vaak mis,’ zegt Ruppert, verwijzend naar de fases van erkenning (individueel en collectief), compensatie, hulp en ondersteuning.

Twee regelingen

Pijnlijk was het dat de regering voor de slachtoffers die zich na het onderzoek van de Commissie Samson meldden, twee soorten schaderegelingen instelde. De ene groep slachtoffers kon 5.000 à 100.000 euro compensatie krijgen. De andere groep 1.000 à 35.000 euro. Paul de Ridder en SKIP werden uitgenodigd door het schadefonds om tijdens enkele sessies hun mening te geven over de compensatie-regelingen, maar hun visies zijn niet meegenomen. ‘We waren het oneens met het onderscheid dat tussen slachtoffers werd gemaakt,’ vertelt hij. Er waren ook andere problemen. De Ridder vertelt hoe slachtoffers een lijst moesten invullen. Als de dader bijvoorbeeld het lichaam was binnengedrongen, kwam een slachtoffer in aanmerking voor een hogere compensatie. ‘Bij de duurste regeling moest het slachtoffer aantonen dat seksueel misbruik had plaatsgevonden. Als de jeugdinstelling ontkende, werd de vraag afgewezen,’ zegt Ruppert. ‘De eisen waren zo hoog, daar konden vele slachtoffers niet aan voldoen,’ zegt De Ridder. Een groot deel van de aanvragen voor compensatie is dan ook afgewezen. ‘Het leidde opnieuw tot gigantische leed,’ zegt De Ridder. Hij wijst er op dat er slechts één directeur van een jeugdzorginstelling was, die de slachtoffers heeft omarmd en heeft geholpen met de gang naar het schadefonds. ‘Zij is de enige geweest, en dat was geweldig mooi. Maar de rest heeft gezwegen,’ stelt De Ridder.

Vijfduizend euro

De regering dacht het daarna anders aan te pakken. De ministers boden de slachtoffers van geweld in de jeugdzorg, waar Commissie de Winter onderzoek naar had gedaan, een compensatie van 5.000 euro aan. Het bedrag, dat om budgettaire redenen was vastgesteld, was wrang genoeg veel lager dan de vorige regeling. Vervolgens bleek dat de overheid zich totaal had verkeken op het aantal mensen dat een beroep deed op de schaderegeling. Er ontstond zelfs een wachtlijst. ‘De overheid dacht dat 2000 mensen zouden reageren, maar nu al hebben zich 10.000 slachtoffers gemeld,’ stelt Ruppert. Ook de vrouwen die slachtoffer waren van dwangarbeid bij De Goede Herder kregen slechts 5.000 euro als compensatie aangeboden voor notabene de verplichte dwangarbeid die ze hadden verricht. Een groep slachtoffers dreigde naar de rechter te stappen.

Beloften niet vervuld

Het gaat niet alleen mis bij de schaderegeling, maar ook bij beloften zoals het oprichten van fysieke of digitale monumenten en hulp voor slachtoffers. ‘Dat is in al deze gevallen niet of nauwelijks van de grond gekomen,’ aldus Ruppert. ‘Als zulke processen niet goed gaan, kunnen slachtoffers opnieuw trauma oplopen.’

Slachtoffers willen erkend worden in wat hen is aangedaan. Maar dat is meest niet gelukt. Uit onderzoek door Ruppert blijkt dat 25 procent van de slachtoffers zich niet erkend voelt, de helft voelt zich slechts deels erkend, terwijl 25 procent zich wel erkend voelt. ‘Als een regeling onvoldoende erkenning biedt, moet je je als overheid wel afvragen wat je fout hebt gedaan. Ik zie dat de overheid in het menselijke aspect faalt,’ stelt Ruppert.

Moegestreden

Zo heeft Paul de Ridder het ervaren. ‘Je komt als slachtoffer tegenover de jeugdzorg en overheid te staan. Je vindt geen gehoor. Je loopt tegen een muur. Het is een hele grote teleurstelling. Het heeft niets te maken met gerechtigheid,’ zegt De Ridder.

Tijdens het laatste debat in de Tweede Kamer zag hij dat de discussie alleen maar over de 5000 euro ging. Verder werd niet gesproken over een aanvullende uitkering voor slachtoffers. ‘Het was afschuwelijk voor slachtoffers om te horen. De mens achter al het leed kwam niet aan bod. Ik zag hoe de minister stond te jokken. Toen ben ik afgehaakt,’ zegt De Ridder. ‘De menselijke maat is uit het beleid verdwenen.’

Pijn en trots

Tien jaar heeft Paul de Ridder zich onbezoldigd ingezet. Met SKIP zorgde hij er voor dat lotgenoten elkaar vier maal per jaar zagen bij lunches en themabijeenkomsten. ‘Dat is echt helend geweest,’ legt hij uit. Maar toen besloot de overheid geen subsidie meer te verstrekken, waarna hij SKIP heeft opgeheven.

Met pijn en trots kijkt Paul de Ridder terug. ‘Ik heb samen met andere slachtoffers veel goede dingen voor lotgenoten gedaan,’ zegt hij. Ook vond hij persoonlijk geluk. ‘Ik heb een hele liefdevolle relatie. En ik ben dol op onze twee teckels. Straks ga ik met ze wandelen.’

Copyright Tjitske Lingsma